Hoofdstuk twee

Vastberaden rijdt Andreas de parking van de kazerne op, parkeert zijn Ford Ranger op zijn vaste parkeerplaats en stapt de kazerne binnen op zoek naar Stephan. Nadat hij zijn spullen in zijn kluisje heeft opgeborgen, wandelt hij door de enorme wagenhal naar de keuken die zich achteraan bevindt. Bovenaan de trap laat hij zijn blik langs de tafel gaan, waar enkele collega’s een kaartje leggen. Peter kijkt op van het spel. ‘Zoek je iemand?’
‘Ja, Stephan. Is hij al binnen?’
‘Ik heb hem een kwartiertje geleden naar de gym zien gaan. Misschien moet je daar even checken.’ Op zijn hielen draait Andreas zich weer terug naar de trap, die hij half rennend afloopt. Weer beneden neemt hij de deur die zich onder de trap bevindt en die via een korte gang uitkomt op de gymzaal van de kazerne. Na een korte blik door de ruimte ziet hij Stephan, zijn T-shirt drijfnat van het zweet, op de loopband. Hij veegt met een handdoek langs zijn voorhoofd en groet de luitenant door kort zijn hand op te steken voordat hij zich weer op het scherm voor zich concentreert. Andreas doorkruist de gym tot hij naast de loopband staat en werpt een blik op het scherm.
‘Hoe lang moet je nog?’
‘Vijftal minuutjes. Waarom?’
‘Niks bijzonder. Ik wilde je even spreken vandaag.’
‘Spreken? Over?’
‘Niets om je zorgen over te maken. Ik heb nog wat administratie te verwerken, dus als je klaar bent met je training kan je me in mijn kantoor vinden.’
‘Is goed, meneer. Tot zo.’ Met een korte knik groet hij zijn collega, waarna hij zich naar zijn kantoor begeeft om aan een veel te grote stapel saaie administratie te werken.

Nadat hij zijn training op de loopband heeft afgewerkt, neemt Andreas een snelle douche en trekt een frisse T-shirt en gemakkelijke joggingsbroek aan voordat hij zich naar het kantoor van de luitenant begeeft. Wat zou er aan de hand zijn? Heb ik een fout gemaakt? Hij klopt twee keer kort maar krachtig op de deur en wacht totdat hij Andreas’ stem hoort voordat hij het kantoor binnengaat.
‘Zet je maar even in de sofa, Stephan.’ Andreas gebaart vriendelijk naar de tweezit dit tegen de muur aan het andere uiteinde van het kantoor staat, recht tegenover het bureau. ‘Ik sla nog even dit bestand op en dan kom ik bij je zitten.’ Stephan zet zich neer en probeert zich te ontspannen. Andreas wekt niet de indruk dat er iets ernstig aan de hand is. De sfeer in het kantoor is eerder gemoedelijk en luchtig. Enkele tellen nadat hij heeft plaatsgenomen, staat Andreas op van zijn bureaustoel en zet zich in de sofa naar Stephan.
‘En, vertel eens. Hoe voel jij je, nu je hier een aantal maanden bij ons bent.’
‘Wel goed. Een heel tof korps. Ik voel me meteen geaccepteerd. Alles loopt echt heel vriendschappelijk.’ Met een glimlach op zijn gezicht blikt Stephan terug op de voorbije maanden. ‘Ik ben blij met de overplaatsing. Ik heb een goede keuze gemaakt.’
‘En heb je buiten het werk al een socialer leven kunnen opbouwen? Nieuwe kennissen?’
‘Dat is wat minder. Ik heb jou en je echtgenote. En verder is er een cafeetje niet ver van waar ik woon. Daar ben ik nu een aantal keer wat gaan drinken. De sfeer is er wel goed en ik heb er al aangename gesprekken gehad.’ Gerustgesteld met de richting dat het gesprek uitgaat, schuift hij lichtjes onderuit in de sofa. ‘Ik heb er nog geen echte vrienden gemaakt waarmee ik echt afspreek, maar dat zal nog wel komen zeker.’
‘Allicht wel.’ Andreas zet zich wat rechter en zijn blik wordt serieus. ‘Ik wil even met je praten. Een privé aangelegenheid. Ik wil vooraf even benadrukken dat dit gesprek echt tussen deze vier muren moet blijven. Je praat er met niemand over. Geen collega’s, geen vrienden. Niemand. Begrepen?’ Plots van zijn melk gebracht door de wending in het gesprek, zet Stephan zich weer wat rechter in de sofa en kijkt Andreas even serieus aan.
‘Begrepen, chef.’
‘Geen chef.’ Knikkend haalt hij diep adem voordat hij verder gaat. ‘Hoe vond jij het zaterdagavond?’
‘Zaterdagavond? Toen ben ik met Rani en jou gaan eten.’
‘Inderdaad. Ik wilde even informeren hoe jij die avond vond. Was het gezellig? Aangenaam? Of eerder ongemakkelijk?’
‘Nee, zeker niet ongemakkelijk. Het was toch een heel toffe avond. We hebben heel wat gebabbeld. Over zoveel dingen. Dat voelde echt goed.’ Met een bedenkelijke blik kijkt hij Andreas aan. ‘Waarom? Is er iets mis? Heb ik iets verkeerd gedaan?’
‘Nee hoor, jij hebt zeker niets verkeerd gedaan.’ Opnieuw haalt Andreas diep adem en kijkt hij Stephan strak aan. ‘Ik wil echt benadrukken dat dit gesprek tussen ook blijft.’
‘Ja hoor, geen probleem. Wat je ook wil zeggen, het is veilig bij mij.’ Met zijn hand gebaart hij alsof hij een denkbeeldige sleutel in zijn mond op slot draait en over zijn schouder weggooit.
‘Dit is iets wat niemand hier weet, niemand in de kazerne. Maar ook onze familie niet, of vrienden buiten de kazerne. Behalve dan die enkele personen die erbij betrokken zijn.’ Met een bedenkelijke blik kijkt Stephan Andreas aan. Waar gaat dit naartoe? ‘Rani en ik… Wel ja, wij zijn al zestien jaar getrouwd. En gelukkig getrouwd. We kennen mekaar intussen al ruim twintig jaar.’ Voor de zoveelste keer haalt Andreas diep adem, strekt zijn nek en kijkt even naar het plafond voordat hij Stephan weer aankijkt en verder gaat. ‘Sinds een vijftal jaar hebben wij een open relatie.’ Die laatste woorden kwamen net iets stiller uit zijn mond dan de hele uitleg die eraan vooraf ging.
‘Een open relatie? Als in…’
‘Als in… Rani en ik hebben in het verleden al een aantal keer heel aangename momenten beleefd met een extra vrouw in onze slaapkamer.’ Stephans ogen worden groot bij deze onthulling. Een trio. Met twee vrouwen. Gadverdamme. Welke gezonde heteroseksuele man droomt daar nu niet van. En de luitenant verkondigt hier zomaar even dat hij daar regelmatig van mag proeven. Maar waarom ik? Waarom vertelt hij dit aan mij? Voordat hij de vragen die door zijn hoofd malen kan stellen, luidt de sirene in de kazerne loeihard. De plicht roept. Als in een natuurlijke reflex springen beide mannen gelijktijdig op en haasten zich naar de immense wagenhal om zich razendsnel om te kleden en in de wagen te springen. Amper enkele minuten later scheurt de brandweerwagen de kazerne uit en langs kruispunten en wegen op weg naar de plaats van onheil. Nog steeds verbaasd van zijn gesprek van zonet, staart Stephan voor zich uit. De woorden herhalen zich in zijn hoofd. Open relatie. Extra vrouw. Waarom vertelt de luitenant dit aan hem? Wat kan hij met deze informatie? Het werd in vertrouwen verteld, dus hij kan moeilijk één van de collega’s om raad vragen. Moet hij het straks aan de luitenant vragen? Of zou hij het hierbij moeten laten? Abrupt komt de brandweerwagen tot stilstand en verlaten Stephan en zijn collega’s het voertuig. Voor hem doemt een hels tafereel op. Drie wagens versperren het wegdek, een vierde wagen lijkt als een elastiek om een boomstam heen geplooid. Glasscherven en brokstukken bezaaien de rijbaan en de groene berm. Gehuil klinkt op uit één van de wagens die de baan versperren.

Andreas roept zijn collega’s toe. Wagens controleren, slachtoffers vaststellen, volgorde van bevrijden opstellen en uiteindelijk de brokstukken opruimen. Samen met John controleert hij de zwarte Renault die rond de boomstam in de berm geplooid hangt. De zijraam is langs de binnenkant met bloed besmeurd. Een hoofd leunt er tegenaan, bewegingsloos. Geen teken van leven wil nog niet betekenen dat er geen leven meer is. Echter, de zijraam inslaan is geen optie. John haalt de breekhamer en tikt voorzichtig het raam achter de chauffeur stuk. Hierlangs kunnen ze de waarden van de bewusteloze chauffeur nemen. Achter hem hoort Andreas hoe Peter en Gert mekaar waarden toeroepen.
‘Ik heb hier twee kinderen op de achterbank. Eén bewusteloos, één wakker en luid huilend. Duidelijk in pijn. Reageert niet op ons, allicht een paniekaanval. Moeder ligt bewusteloos achter het stuur.’
‘Hier twee jonge knapen. Bestuurder bewusteloos, passagier overleden. Hangt een sterke alcohol geur in de wagen.’
‘Gadverdamme! Klootzakken!’
‘Chef, hoe staat het hier?’ Stephan staat plots naast Andreas om de status van deze wagen op te nemen.
‘Bewusteloos. Eén inzittende, enkel de chauffeur.’
‘Ok.’ Andreas begeeft zich weer naar de rijbaan waar Gert intussen de inzittenden van de laatste wagen probeert te bereiken.
‘Ook hier een sterke alcoholgeur in de wagen.’ Hij draait even zijn hoofd weg voordat hij de waarden van de chauffeur en inzittende probeert op te nemen. ‘Chauffeur is overleden, vrouwelijke passagier bewusteloos.’

Ruim twee uur intensief werken later, zijn alle gewonden met de ambulance overgebracht naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Gelukkig kregen ze de nodige ondersteuning van hun collega’s uit de nabijgelegen stad. Ook de overledenen werden intussen geborgen en overgebracht naar het ziekenhuis voor verder onderzoek. Allicht twee straatracers met veel te veel alcohol in hun systeem die dit vreselijke tafereel veroorzaakt hebben. De uitkomst van dit alles zouden ze eerstdaags wel in de krant kunnen lezen. De wrakken worden door de takeldienst opgeladen en weggesleept terwijl Andreas, Stephan en de anderen de laatste brokstukken van de rijbaan wegvegen.

Het ganse team zit boven aan tafel, allen een bord spaghetti bolognese voor zich. Samen halen ze de gebeurtenissen van eerder vandaag weer naar boven. Toekomen op de plaats van het ongeluk, de vaststellingen van de slachtoffers en de daarbij gemaakte conclusies. De zwaargewonde moeder die misschien niet eens levend het ziekenhuis zou halen, de jonge en dronken chauffeurs die het ongeluk misschien veroorzaakt hebben.
‘Wat moet er van die kinderen als hun moeder het niet haalt?’ Met zijn blik op het plafond gericht, denkt Peter luidop na.
‘Hopen dat ze een goede en betrokken vader hebben die de zorg op zich neemt.’
‘Die vrouw droeg geen trouwring.’
‘Dat wil nog niet zeggen dat ze geen relatie heeft. Of dat de vader van die kinderen niet in beeld is.’
‘Nee, dat is ook weer waar.’ Zuchtend schuift Peter nog wat verder onderuit, een enkele traan ontsnapt uit zijn oog.
‘Gaat het, kameraad?’
‘Jawel hoor. Maar deze vind ik altijd de moeilijkste. Als er kleine, onschuldige kinderen bij betrokken worden.’
‘We kunnen ze niet allemaal redden, maar deze twee hebben het wel gered. Ze waren allebei bij bewustzijn toen ze naar het ziekenhuis vertrokken.’
‘Die jonge gasten hun leven is anders ook wel voorbije.’ Zegt Gert.
‘Mja, moesten ze maar aan denken voordat ze in die toestand achter het stuur gingen zitten.’ Klinkt het antwoord van Stephan hard.
‘Daar heb je zeker een punt. En zoals het rechtssysteem hier gaat, hebben ze vast over een maand hun rijbewijs terug in handen. We kunnen alleen maar hopen dat ze hun les geleerd hebben. Werken om de slachtoffers te betalen kunnen ze nu wel voor de rest van hun leven.’ Besluit Peter de discussie. Even blijft het stil terwijl ze hun spaghetti verder opeten, een traditie na ieder ongeval.

‘Stephan, heb je nog even?’ Net op het moment dat hij naar huis wil rijden, wordt hij door Andreas aangesproken.
‘Euh, ja. Zeg maar. Niet dat er thuis iemand op me wacht.’ Voorzichtig lacht hij bij zijn woorden. Het was een ontzettend lange en beladen werkdag die eindelijk achter de rug is. Hij wil momenteel niets liever dan thuis in zijn sofa neerploffen met een biertje en wat naakt op zijn televisiescherm.
‘Mijn kantoor.’ Andreas knikt met zijn hoofd als teken om hem te volgen. Eenmaal in het kantoor van de luitenant, zetten ze zich beiden weer neer in de sofa waar ze eerder vandaag het gesprek begonnen dat Andreas nu duidelijk wil afronden. Een gesprek dat Stephan intussen alweer helemaal vergeten was. ‘Wat ik daarstraks wilde zeggen, voordat we zo abrupt onderbroken werden, is dat Rani en ik dus een open relatie hebben.’
‘Zoveel had ik intussen wel begrepen. Maar waarom vertel je mij dit?’
‘Wel, omdat Rani er ook al ontzettend lang van een trio droomt met twee mannen.’ Stephans ogen worden groot van verwondering, waardoor Andreas even moet lachen. ‘Tot voor kort was er nooit echt een man waarvan ze het gevoel of het verlangen had om die trio mee te doen.’
‘Tot voor kort?’
‘Inderdaad.’
‘Wie of wat is daar dan aan veranderd?’
‘Jij.’ De stilte tussen beide mannen na deze onthulling is oorverdovend. Ongelovig staart Stephan Andreas aan. Hij laat alles door zich heen komen, alle woorden door zijn hoofd malen. Ongelovig staart hij voor zich uit. Andreas staat op uit de sofa, klopt Stephan bemoedigend op zijn schouder en verlaat zijn kantoor. ‘Sluit je mijn kantoor af als je weer wakker bent en doorgaat.’ Met een grijns op zijn gezicht sluit hij de deur achter zich en rijdt tevreden naar huis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s