Proloog

Met een diepe zucht laat Rani de voordeur achter zich dicht vallen. Te vermoeid om voorover te buigen en haar schoenen uit te doen, leunt ze tegen de muur en duwt met haar tenen van de ene voet de schoen aan de andere voet uit. Haar handtas gooit ze op het kastje dat naast haar tegen de wand staat en sloffend sleurt ze haar vermoeide lichaam naar de woonkamer. Nog geen spoor van Andreas en de kinderen. Terwijl ze zich in de sofa laat ploffen, ziet ze op de klok dat het tien voor zeven is. Met andere woorden, de voetbaltraining van Emiel en Wout is nog volop bezig. Het idee het komende half uur niet gestoord te worden, doet Rani haar ogen sluiten. Genietend van de rust in huis valt ze al snel in een diepe slaap die haar de drukte van de voorbije dag doet vergeten.

Met het luid toeslaan van de voordeur en verschillende stemmen in de inkomhal veert Rani plots wakker uit haar veel te korte slaap.
“Mam! We zijn thui-uis!” Een kleine zucht ontsnapt haar lippen. Jongens zullen altijd jongens blijven, denkt ze bij zichzelf. Toch zou ze niet meer zonder die gezellige drukte in huis kunnen. Haar drie mannen. Want allebei haar zonen werden stilaan jonge mannen. Met hun dertien en veertien jaar liepen ze beiden al middelbare school en Rani werd er soms bang van te denken dat ze stilaan met een vriendinnetje zouden thuiskomen. En nu ze samen in dezelfde ploeg speelden dit seizoen, bleken de broers nog meer naar mekaar toe te trekken. Vermoeid komt ze recht uit de sofa en strekt zich helemaal uit. Hoe kort ook, haar dutje heeft haar best wel deugd gedaan. Andreas komt de woonkamer binnen, geeft haar een vluchtige kus op haar wang en zet de drinkbussen van hun zonen op het aanrecht.
“Wat eten we vanavond?” Met een nog wat slaperige blik kijkt ze haar echtgenoot aan.
“Euh. Geen idee. Ik ben in slaap gevallen op de sofa. Sorry. Het was een lange, drukke dag.” Ze wandelt naar de keuken en trekt de koelkast open, wetende dat er eigenlijk bijna niets meer in staat. “Zullen we anders frietjes halen? Dat is even geleden. En ik heb niet echt veel zin om te koken vandaag.” Ze sluit de koelkast alweer voordat ze zich naar Andreas omdraait. “Ik heb zin om lekker vroeg te gaan slapen vanavond.”
“Frietjes zijn ok voor mij, ik rijd dadelijk wel naar de frituur. Vroeg gaan slapen wordt een ander probleem, schat.” Hij komt naar haar toe, legt zijn armen rond haar lichaam en duwt een zachte kus op haar voorhoofd. “Vanavond is het jaarlijks inzamelingsbal in de kazerne.” Een vermoeide kreun komt uit Rani’s keel terwijl ze naar hem opkijkt. “Dat was je helemaal vergeten?”
“Niet he-le-maal… Ik heb er gisteren nog wel aan gedacht. Denk ik.” Hij moet lachen om haar bekentenis.
“Ach, dat komt helemaal goed. Eenmaal we daar zijn en je iedereen ziet, komt je energie vanzelf weer naar boven. En morgen kan je lekker uitslapen. De jongens hebben geen match.”
“Hoe, de jongens hebben morgen geen match?”
“Nee, de trainer meldde net dat de tegenpartij forfait heeft gegeven. Een zaterdag vrijaf dus.”
“Ow, dat klinkt dan weer wel heel lekker.” Verleidelijk kronkelt ze tegen zijn lichaam aan.
“Rustig aan, tijger. Eerst eten.” Hij schenkt haar een knipoog, drukt een kus op haar voorhoofd en dan op haar mond en draait ze van haar weg. “En voor dat eten zal ik eens eerst zorgen. Hou die gedachte van zonet vooral nog een paar uur vast. Ik kom er vannacht op terug, als we weer thuis zijn. Of onderweg.” En met die laatste woorden sluit hij de deur naar de inkomhal achter zich. Boven hoort ze het water uit de douche stromen en heen- en weer geloop op de gang. Ze loopt naar de gang en gaat onderaan de trap staan.
“Jongens!”
“Ja, mam!” antwoorden ze samen.
“Doen jullie meteen jullie pyjama’s aan. En breng de wasmand mee naar beneden, dan kan ik nog een machine inzetten.”
“Is goed mam!” reageert Wout als eerste.

Rani bekijkt haar gezicht nauwkeurig in de spiegel. Met haar veertig jaar wordt ze er zeker niet meer jonger op. De eerste rimpels vertonen zich naast haar ogen wanneer ze lacht. Met een golf van onzekerheid smeert ze nog een extra laagje dagcrème voordat ze haar make-up aanbrengt. Het jaarlijs inzamelbal van de kazerne is telkens weer een groot succes. Alle collega’s en hun partners zijn er aanwezig, net als politieke functionarissen en belangrijke zakenmensen die hun financiële bijdrage aan de brandweerkazerne willen overmaken. In de vooravond zijn er steeds een aantal demo’s te bekijken en worden er een aantal wedstrijdjes georganiseerd, waar de brandweerlieden zich van hun beste kant kunnen laten zien. Het is, als vrouw, een lust voor het oog om al die getrainde lichamen zich in het zweet te zien werken om als eerste over de eindlijn te rennen. In vroegere dagen, toen Andreas nog meedeed aan deze wedstrijdjes, had ze hem langs te zijlijn staan aanmoedigen. Ze was er altijd van overtuigd dat hij de knapste en de sterkste van het korps was. Voor haar toch zeker. De demo’s zouden ze dit jaar mislopen en de meeste wedstrijden zouden ook al afgelopen zijn tegen dat ze zouden toekomen, maar het bal zou net worden ingezet. Een avondje op stap. Geen kinderen. Geen verplichtingen. Het leek een eeuwigheid geleden. Ze bracht wat oogschaduw aan, een beetje mascara en een fijn zwart lijntje onder haar ogen, zette een grote stap achteruit en bekeek zichzelf opnieuw in de spiegel.
“Je ziet er prachtig uit, zoals altijd.” Andreas greep haar langs achter vast en legde zijn handen over mekaar op haar buik. Hij kuste haar zachtjes in haar nek, net onder haar oor, waardoor haar lichaam met een lichte elektrische schok wakker schoot. Wat was dit toch met hem. Na twintig jaar samenzijn kon hij haar nog steeds in vuur en vlam zetten met een simpele aanraking.
“Kom, anders zijn we nog te laat.” Hij liet haar los en wandelde de badkamer uit, de trap af naar de inkomhal. Ze volgde hem, nam haar jas van de kapstok, deed een warme sjaal om en keek nog even in de woonkamer.
“Emiel.” Haar oudste zoon keek niet eens op van zijn iPad terwijl hij met enkel een hoofdknik reageerde.
“Emiel! Ik praat tegen jou. Dan verwacht ik ook jou aandacht.” Met een geïrriteerde zucht legde de jongeman zijn iPad naast zich neer en kijkt zijn moeder aan.
“Ja, mam.”
“En rol zo niet met je ogen. Straks blijven ze nog aan de achterkant staan en kan je niet anders dan constant naar die lege hersenpan van je kijken.” Zijn linkse wenkbrauw trok lichtjes naar boven bij haar opmerking.
“Emiel, papa en ik zijn weg. Wout en jij gaan om half tien slapen. Geen seconde later.”
“Nee mam. Half tien. Copy dat.”
“Copy ook maar dat als ik zie of merk dat je later bent gaan slapen, ik je morgenochtend om vijf uur uit je bed hijs om de volledige benedenverdieping te stofzuigen, te dweilen en al mijn strijk voor me te doen.”
“Serieus mam. Half tien. Geen seconde later. Geniet van je avond. Ik beloof dat je niet om vijf uur op moet staan.”
“Dat is je geraden, want als mama zo vroeg op moet, dan wordt ze chagrijnig. Dat chagrijn werkt ze uit om mij, hetgeen ik dan weer op jullie uitwerk. En ik heb morgen ook nog heel wat leuke klusjes in de tuin, als het moet.” Met een bemoedigend klopje op hun hoofden, schenkt Andreas een warme knipoog aan zijn vrouw.
“Ok, ok pap. Boodschap begrepen. Jullie maken plezier, wij zitten hier opgesloten in gevangenis Mi Casa.”
“Grote mond.”
“Dat hebben we van geen vreemden.” Mengt Wout zich losjes in het gesprek. Met een kleine glimlach en een fijn gevoel draait Rani zich om.
“Tot morgenochtend jongens. Ik hou van jullie.”
“Wij ook van jou.” Roepen ze in koor terug.

Het is al een gezellige drukte op de brandweerkazerne. Andreas neemt Rani’s jas aan en brengt deze naar zijn locker in de omkleedruimte, terwijl Rani zich meteen in het gezelschap van enkele collega’s en hun partners bevindt. Doorheen de jaren heeft de groep een hechte band opgebouwd. Doordat ze regelmatig met mekaar afspreken voor etentjes, gezinsuitstapjes en de activiteiten op de kazerne, is er een vriendschap ontstaan. Rani, in gesprek met Katrin en Eva, volgt de groep naar de open ruimte achter de kazerne waar de laatste wedstrijden worden afgerond. Ze nemen plaats aan een statafel vlakbij het lint waar dadelijk de deelnemers kruipend over de grond onder aangespannen touwen heen moeten. Andreas voegt zich bij hen en is meteen in gesprek met John en Peter, zijn collega’s en de partners van Katrin en Eva. Achter zich hoort Rani het startsignaal, waarop ze zich omdraait om de wedstrijd te volgen. Andreas komt naast haar staan en slaat zijn arm om haar schouder heen.
“Warm genoeg?”
“Net.”
“Kom dan maar lekker dicht tegen mij aan staan.” Hij trekt haar nog wat dichter tegen zich aan en ze warmt zich aan zijn lichaamshitte. Zijn linkerarm strekt zich uit en hij wijst in de richting van de man die voorop ligt in de wedstrijd.
“Dat is Stephan. Weet je nog, die nieuwe collega waar ik je over heb verteld.” Ze knikt. “Hij heeft vanmiddag nog gezegd dat hij mijn tijden vanavond ging verbeteren.”
“Jouw tijden verbeteren? Die staan al vijftien jaar op de eerste plaats. Onverslagen.”
“Ik weet het. En eerlijk gezegd, ik denk dat daar vanavond wel eens verandering in kan komen. Hij is écht snel.”
“Ai ai, dan moet ik vannacht jouw gekrenkte ego weer wat opkrikken.” Bij het vooruitzicht wat dat inhoud, verschijnt er een speelse glimlach om zijn mond. Even later verdwijnt die glimlach in een gespeelde teleurstelling, zodra de eindscore van Stephan op het scorebord verschijnt. Andreas’ tijd is met zeven honderdsten verbeterd door de nieuwe collega, die triomfantelijk op het podium verschijnt.

“Aangenaam, ik ben Stephan.” De man reikt zijn hand uit naar Rani, die hem schudt en hem een vriendelijke glimlach schenkt.
“Aangenaam, Rani. Ik ben de echtgenote van Andreas.”
“Dat is me verteld, ja. Een gelukkig man.” Hij schenkt haar een lieve lach. “Het spijt me dat ik zijn tijd heb verbeterd.”
“Ik geloof er niets van dat je er spijt van hebt.” Ze moet erom lachen. “Wat brengt jou hierheen? Andreas vertelde me dat je opnieuw bent begonnen?”
“Ja.” Hij haalt zijn schouders even op. “Ik ben net gescheiden. Blijkbaar vond ze onze buurman interessanter dan mij. Toen ik een keer vroeger thuiskwam van mijn werk, lagen ze samen in ons bed.”
“Oh, nee! De horror.”
“Ach, eigenlijk kon ik er wel om lachen.”
“Om lachen?” Rani kijkt hem met een verwonderde blik aan.
“Ja. Zij was altijd degene die stik jaloers was. Ik mocht naar geen enkele andere vrouw kijken. Zelfs bij een knappe vrouw op de televisie had ik al ruzie omdat ik er te veel naar keek. En dan blijkt zij degene te zijn die haar pleziertjes ergens anders haalt.” Hij lacht een eerder cynische lach. “Ik ben de dag nadien vertrokken. Heb in mijn vorige kazerne een overplaatsing aangevraagd naar eender welke kazerne in Vlaanderen, en zo ben ik hier terecht gekomen.”
“Geen kinderen of zo die je achterlaat?”
“Nee. Zij wilde nooit kinderen. Mijn ouders zijn beiden overleden en mijn zus, twee jaar jonger dan ik, woont al een aantal jaren in het Zuiden van Frankrijk. Dus er was niets wat mij nog ginder hield.”
“Wauw. Dat moet toch een hele stap zijn. Zo van de ene op de andere dag verhuizen naar god weet waar. Je kent hier niemand.”
“Dat verandert snel hoor. En ik voel me best wel goed in de groep. Het zijn toffe collega’s.” Er ligt iets in Stephans ogen, Rani kan het niet verklaren. Een soort geborgenheid, een veilig gevoel. Ze wil niet dat dit gesprek ten einde komt. Tien minuten vliegen voorbij in een aangenaam en vlot gesprek waarin ze de nieuwe collega van haar echtgenoot wat beter leert kennen.  Plots staat Peter naast haar. Hij geeft haar een nieuw glas witte wijn en een flesje bier aan Stephan.
“Hé vriend, heb jij zin om de komende vier weken alle dagen alle brandweerwagens volledig te poetsen totdat ze tot in de oneindigheid blinken?”
“Nee, hoezo?” Grapt Stephan.
“Dan zou ik maar uitkijken. Je staat hier te flirten met de commandant zijn vrouw en ik ben ervan overtuigd dat hij heel wat leuke klusjes voor je heeft klaarstaan als je daar niet snel mee ophoudt.”
“Flirten?” Rani kijkt Peter vragend aan. “We waren gewoon in gesprek hoor.”
“Dat weet ik wel.” Hij knipoogt naar haar voordat hij weer verder gaat. “Ik plaag hem maar een beetje. De enige vrijgezel van de groep. Mag toch, niet?” Stephan lacht en Peter draait zich weer weg, om weer in gesprek te gaan met de anderen in de groep. Er is iets met hem, maar wat? Ik kan er de vinger niet op leggen. Een beetje van de wijs gebracht, gaat Rani weer bij Andreas staan, die haar stevig in zijn armen neemt.
“Ik heb het hier wel gezien en ik heb ontzettend veel zin in jou. Zullen we doorgaan?” Fluistert hij in haar oren. Dat is alles wat ze nodig heeft om haar onderbuik weer helemaal te doen oplaaien. Met een klein knikje geeft ze aan dat ze ook door wil rijden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s